Anticonceptie bij gynaecologische tumoren

Goedaardige ovariumtumoren (incl. ovariumcystes)| Trophoblastaandoeningen | Ectopie van de cervix | Cervicale intraepitheliale neoplasie (CIN) | Cervixcarcinoom (in afwachting van behandeling) | Endometrium (baarmoederslijmvlies) kanker | Ovarium (eierstok) kanker | Fibromen/myomen (vleesbomen)  

Goedaardige ovariumtumoren (incl. ovariumcystes)

Indien er goedaardige tumoren aan de eierstokken bestaan, waartoe ook de cystes behoren, is er geen enkele vorm van anticonceptie, die niet is toegestaan. Zowel combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, minipil, prikpil, subdermaal implantaat Implanon, koperhoudende spiraaltjes als de Mirena worden ingedeeld in categorie 1.

Trophoblastaandoeningen

Het gebruik van combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, minipil, prikpil en het subdermaal implantaat Implanon zorgt bij zowel de goedaardige als de kwaadaardige trophoblastaandoeningen voor betrouwbare anticonceptie zonder eventuele progressie van de aandoening te bevorderen: cat.1. Ook spiraaltjes hebben geen invloed op progressie van trophoblastafwijkingen. Aangezien bij deze aandoeningen regelmatige curettages plaatsvinden is het evenwel geen goed idee intra-uteriene anticonceptie toe te passen. Gezien de aard van de aandoening is ook de kans op perforatie sterk vergroot. Bij goedaardige trophoblastafwijkingen vindt indeling plaats in categorie 3; bij kwaadaardige trophoblastafwijkingen in categorie 4. Het betreft hier zowel de koperhoudende spiraaltjes als de Mirena.

Ectopie van de cervix

Ectopie van de cervix is geen premaligne aandoening. Er bestaat daarom geen enkele beperking voor welke vorm van anticonceptie dan ook. Alle hormonale en intra-uteriene middelen zijn ingedeeld in categorie 1.

Cervicale intraepitheliale neoplasie (CIN)

Hormonen zouden de overgang van intraepitheliale nieuwvorming in de baarmoederhals -een voorstadium van baarmoederhalskanker- naar invasief carcinoom mogelijk kunnen bevorderen. De voordelen van hormonale anticonceptie zijn echter nog steeds groter dan de nadelen. Wel is regelmatige controle van de baarmoederhals middels uitstrijkjes nodig om vroegtijdig veranderingen te kunnen vaststellen. Combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, prikpil, subdermaal implantaat Implanon en Mirena worden ingedeeld in categorie 2. Voor de minipil is dit minder relevant: cat.1. Koperhoudende spiraaltjes hebben geen invloed op eventuele veranderingen van de baarmoederhals: cat.1.

Cervixcarcinoom (in afwachting van behandeling)

In het algemeen kunnen combinatiepreparaten (de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister), de prikpil en het subdermaal implantaat Implanon worden voorgeschreven in afwachting van de behandeling van het carcinoom. Ook de Mirena of een koperhoudend spiraaltje kan indien het reeds in de baarmoeder aanwezig is in afwachting van de verdere behandeling blijven zitten: cat.2. De behandeling heeft steriliteit tot gevolg, zodat na de behandeling geen anticonceptie meer nodig is. Voor de minipil geldt deze bezorgdheid minder: cat.1. Mirena en koperspiraaltjes dienen niet ingebracht te worden nadat de diagnose baarmoederhalskanker is gesteld: cat.4.

Endometrium (baarmoederslijmvlies) kanker

Bij gebruik van de pil komt kanker aan het baarmoederslijmvlies minder vaak voor dan wanneer nooit een pil is gebruikt. Wordt de diagnose toch gesteld, dan bestaat er geen bezwaar tegen het voorschrijven van combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, minipil, prikpil of het subdermaal implantaat Implanon in afwachting van behandeling: cat.1. Een spiraaltje dat op het moment van de diagnose reeds in de baarmoeder aanwezig is, kan in afwachting van de behandeling blijven zitten. Dit geldt zowel voor de koperspiraaltjes als voor de Mirena: cat.2. Na het stellen van de diagnose endometriumcarcinoom wordt het inbrengen van een spiraaltje afgeraden wegens de verhoogde kans op infectie, perforatie en bloeding t.g.v. de insertie: cat.4.

Ovarium (eierstok) kanker

Bij gebruik van een hormonaal anticonceptivum komt kanker aan de eierstokken minder vaak voor dan wanneer nooit een hormonaal anticonceptivum is gebruikt. Wordt de diagnose toch gesteld, dan bestaat er geen bezwaar tegen het voorschrijven van combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, minipil, prikpil of subdermaal implantaat Implanon in afwachting van behandeling: cat.1. Een spiraaltje dat op het moment van de diagnose reeds in de baarmoeder aanwezig is, kan in afwachting van de behandeling blijven zitten. Dit geldt zowel voor de koperspiraaltjes als voor de Mirena: cat.2. Na het stellen van de diagnose ovariumcarcinoom wegen de voordelen van het inbrengen van een spiraaltje niet op tegen de nadelen: koperhoudende spiraaltjes en Mirena: cat.3.

Fibromen/myomen (vleesbomen)

Voorschrijven van combinatiepil, anticonceptiering, anticonceptiepleister, minipil, prikpil of het subdermaal implantaat Implanon kan het bloedverlies bij patiŽnten met een fibroom of myoom verminderen, waardoor deze vorm van anticonceptie hier de voorkeur verdient: cat.1. Het inbrengen van een koperhoudend spiraaltje of Mirena kan een probleem zijn indien de vorm van de baarmoederholte door een vleesboom is veranderd. Zit de vleesboom op de buitenkant van de baarmoeder (=subsereus fibroma/myoma) dan kan eventueel een koperhoudend spiraaltje of een Mirena worden ingebracht: cat.2. Zit de vleesboom in de baarmoederwand (=intramuraal fibroma/myoma) of in de baarmoederholte (=submuceus fibroma/myoma) dan is de baarmoederholte vaak vervormd en zijn zowel koperhoudende spiraaltjes als Mirena ongeschikt: cat.4.

(terug naar groepsindeling)

home copyright disclaimer privacy