Anticonceptie bij hart- en vaatziekten

Meervoudige risicofactoren voor hart- en vaatziekten | Diepe veneuze trombose en longembolie | Bekende thrombogene mutaties | Oppervlakkige veneuze trombose | Ischaemische hartziekten / cerebrovasculair accident (CVA) | Hyperlipidaemie | Afwijkingen aan de hartklep

Meervoudige risicofactoren voor hart- en vaatziekten

Hiertoe behoren onder meer oudere leeftijd, roken, diabetes (suikerziekte) en hypertensie (verhoogde bloeddruk). Onder deze omstandigheden is het beter de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister niet te gebruiken: categorie 3/4. De minipil en het subdermaal implantaat Implanon kunnen wel voorgeschreven worden: cat.2. De prikpil komt minder in aanmerking: cat.3. Koperspiraaltjes: cat.1. Voor de Mirena ook enig voorbehoud: categorie 2

Diepe veneuze trombose en longembolie

  1. Diepe veneuze trombose en/of longembolie in de voorgeschiedenis. De combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister worden ontraden: cat.4. Bij de minipil en het subdermaal implantaat Implanon is de kans op het ontstaan van trombose enigszins verhoogd, maar minder dan bij de combinatiepreparaten: cat.2. Ook de prikpil en de Mirena worden om dezelfde reden ingedeeld in categorie 2. Koperspiraaltjes kunnen zonder problemen worden voorgeschreven: cat.1.

  2. Bestaande diepe veneuze trombose en/of longembolie. Ook in deze situatie wordt geadviseerd geen combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister voor te schrijven: cat.4. Bij de overige hormonale vormen van anticonceptie: de minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon en de Mirena zijn de nadelen groter dan de voordelen: cat.3. Alleen de koperhoudende spiraaltjes worden ingedeeld in categorie 1.

  3. Doorgemaakte diepe veneuze trombose en/of longembolie in de familie (eerste graads verwanten). Aangezien er een aantal erfelijke factoren -o.a. in de bloedstolling- bestaan die de kans op trombose verhogen is bij gebruik van combinatiepreparaten (combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister) in deze situatie enige voorzichtigheid geboden, maar de voordelen van deze preparaten zijn altijd nog groter dan de nadelen: cat.2. Alle andere vormen van intra-uteriene en hormonale anticonceptie kunnen bij een belaste familie anamnese probleemloos worden voorgeschreven: minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon, Mirena en koperspiraaltjes worden dan ook ingedeeld in categorie 1.

  4. Grote chirurgische ingrepen

    1. met langdurige immobilisatie. Hierbij worden dezelfde criteria aangehouden als bij diepe veneuze trombose en/of longembolie in de voorgeschiedenis: de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister worden ontraden: cat.4. Bij de minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon en de Mirena is de kans op het ontstaan van trombose enigszins verhoogd, maar minder dan bij de combinatiepreparaten: cat.2. Koperspiraaltjes kunnen zonder problemen worden voorgeschreven: cat.1.

    2. zonder langdurige immobilisatie. Hierbij worden dezelfde criteria aangehouden als bij doorgemaakte diepe veneuze trombose en/of longembolie in de familie (eerste graads verwanten): de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister: cat.2. Alle andere vormen van intra-uteriene en hormonale anticonceptie kunnen probleemloos worden voorgeschreven: minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon, Mirena en koperspiraaltjes worden dan ook ingedeeld in categorie 1.

  5. Kleine chirurgische ingrepen zonder immobilisatie (incl. sterilisatie bij de vrouw). Geen beperkingen voor hormonale of intra-uteriene anticonceptie. Alle hormonale en intra-uteriene middelen zijn ingedeeld in categorie 1.

Bekende thrombogene mutaties

Hiertoe behoren de Factor V Leiden mutatie, de prothrombine mutatie en de proteÔne S, proteÔne C en Antithrombine deficiŽnties.

Vrouwen met een van deze mutaties of deficiŽnties hebben een twee- tot 20 keer verhoogd risico op het krijgen van trombose bij gebruik van combinatiepreparaten dan vrouwen die deze mutaties/deficiŽnties niet hebben. Combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister worden daarom ingedeeld in categorie 4. De minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon en de Mirena worden ingedeeld in categorie 2. Koperspiraaltjes hebben geen invloed op het ontstaan van trombose en worden ingedeeld in categorie 1.

Oppervlakkige veneuze trombose

Zowel bij een bestaande varicosis cruris (spataderen) als bij een oppervlakkige thrombophlebitis (aderontsteking) kunnen minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon, de Mirena en koperhoudende spiraaltjes probleemloos worden voorgeschreven: cat.1. Bij varicosis cruris bestaat ook geen bezwaar tegen het voorschrijven van de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister: cat.1.

Indien combinatiepreparaten worden voorgeschreven bij een oppervlakkige thrombophlebitis is er enige terughoudendheid bij het advies, maar zijn de voordelen van het gebruik van de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister altijd nog groter dan de nadelen: cat.2.

Ischaemische hartziekten / cerebrovasculair accident (CVA), zowel actueel als in de voorgeschiedenis

Gezien de sterk verhoogde kans op trombose t.g.v. onderliggend vaatlijden kunnen combinatiepreparaten (combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister) voor deze groep patiŽnten niet worden voorgeschreven: cat.4. De minipil, het subdermaal implantaat Implanon en de Mirena kunnen, indien deze voor het eerst voorgeschreven worden, onder medische controle worden verstrekt: cat.2. Vanwege het hypo-oestrogene effect en verlaging van het HDL mag de prikpil uitsluitend worden voorgeschreven indien andere vormen van anticonceptie niet in aanmerking komen en strikte medische controle mogelijk is: cat.3. Bij voortzetting van reeds voorgeschreven minipil, subdermaal implantaat Implanon en Mirena wordt na een ischaemische hartziekte of CVA de categorie gewijzigd in cat.3. Koperhoudende spiraaltjes zijn ingedeeld in categorie 1.

Hyperlipidaemie

Bij bekende hyperlipidaemieŽn (stoornissen in de vethuishouding met een verhoogd vetgehalte in het bloed) vindt afhankelijk van de ernst van de hyperlipidaemie voor de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister indeling plaats in categorie 2 of 3. De minipil, prikpil, het subdermaal implantaat Implanon en de Mirena worden ingedeeld in categorie 2. Koperhoudende spiraaltjes worden ook hier ingedeeld in categorie 1. De WHO acht screening op hyperlipidaemie als routine niet noodzakelijk gezien de betrekkelijke zeldzaamheid van deze aandoening.

Afwijkingen aan de hartklep

Bij ongecompliceerde afwijkingen aan de hartkleppen kunnen onder medische controle combinatiepreparaten (combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister) worden voorgeschreven: cat.2. Progestativa geven geen verhoogd risico op trombose. Minipil, prikpil en het subdermaal implantaat Implanon kunnen dan ook zonder risico worden voorgeschreven: cat.1. Tegen het gebruik van de Mirena en koperhoudende spiraaltjes bestaat bij ongecompliceerde afwijkingen evenmin bezwaar: cat.1.

Indien de afwijking aan de hartkleppen wordt gecompliceerd door pulmonale hypertensie, atriumfibrilleren of een voorgeschiedenis van subacute bacteriŽle endocarditis, dan zijn de combinatiepil, anticonceptiering en anticonceptiepleister gecontraÔndiceerd en dient een andere vorm van anticonceptie te worden gekozen: cat.4. Progestativa geven geen verhoogd risico op trombose. Minipil, prikpil en het subdermaal implantaat Implanon kunnen dan ook zonder risico worden voorgeschreven: cat.1. Zowel de koperhoudende spiraaltjes als de Mirena worden bij gecompliceerde afwijkingen ingedeeld in categorie 2. Dit geldt eigenlijk alleen voor het inbrengen. Het advies is antibioticumprophylaxe te geven. De voordelen zijn altijd nog groter dan de nadelen.

(terug naar groepsindeling)

home copyright disclaimer privacy