Hoe werkt anticonceptie - Normale werking van de vruchtbaarheid

De verschillende methoden van anticonceptie voorkómen het ontstaan van zwangerschap door het voortplantingsmechanisme te verstoren. 

Dit kan gebeuren door:

  1. de productie van ei- en zaadcellen te voorkomen: de hormonale anticonceptie;

  2. te verhinderen, dat de zaadcellen via de baarmoeder de eileiders bereiken door veranderingen in het baarmoederslijmvlies te veroorzaken en de beweeglijkheid van de zaadcel te beïnvloeden. Dit  kan plaatsvinden door koperafgifte via spiraaltjes of hormoonafgifte via in de baarmoeder gelegen systemen: de intra-uteriene anticonceptie;

  3. door af te zien van geslachtsgemeenschap tijdens de vruchtbare dagen van de vrouw: de "natuurlijke" methoden van geboorteregeling;

  4. door te verhinderen, dat zaadcellen en eicel elkaar bereiken tijdens de geslachtsgemeenschap: de barrièremethoden en de sterilisatie.

De hormonale en intra-uteriene methoden alsook de toepassing van natuurlijke methoden en barrièremiddelen zijn tijdelijke vormen van geboorteregeling en na het staken van deze methoden is bevruchting doorgaans weer direct mogelijk.

Sterilisatie is in opzet een definitieve vorm van geboorteregeling.

Overzicht verschillende methoden van anticonceptie en hun betrouwbaarheid 

Normale werking van de vruchtbaarheid.

Zowel bij de vrouw als bij de man wordt de vruchtbaarheid geregeld door een subtiel samenspel van hormonale regulering enerzijds en een welhaast perfect anatomisch stelsel anderzijds.

In de hypothalamus, een centraal in de hersenen gelegen gebied, worden onder meer stoffen geproduceerd, die de hypofyse, het hersenaanhangsel, dat zich goed beschermd door de schedel midden achter de ogen bevindt, aanzet tot de productie van het FSH (het Follikel Stimulerend Hormoon) en het LH (het Luteïniserend Hormoon).

Bij de vrouw is het FSH verantwoordelijk voor de rijping van de eicel, die zich iedere cyclus weer ontwikkelt uit één van de reeds vanaf de geboorte aanwezige primordiale follikels in de eierstok. De primordiale follikel groeit via een secundaire follikel uit tot de Graafsche follikel, waarin de eicel zich bevindt. De follikel op haar beurt produceert het hormoon oestradiol, dat verantwoordelijk is voor onder meer de vorming van cervixslijm, nodig voor het opnemen en laten passeren van de zaadcellen via de baarmoederhals. De toename van de hoeveelheid oestradiol in de bloedcirculatie zorgt voor de afgifte van het LH uit de hypofyse op het moment, dat de eicel voldoende ontwikkeld is. Dit leidt tot de ovulatie of eisprong, waarna het ei bevrucht kan worden door de aldaar aanwezige zaadcellen. Na de ovulatie begint de productie van progesteron, ook wel het zwangerschapsbehoudend hormoon genoemd, dat het baarmoederslijmvlies gereed maakt om 5 tot 7 dagen later de bevruchte eicel, die via de eileiders naar de baarmoederholte wordt getransporteerd, te kunnen ontvangen. Heeft 7 dagen na de ovulatie geen innesteling plaatsgevonden, dan vermindert de productie van het progesteron, waarna weer 7 dagen later het baarmoederslijmvlies wordt afgestoten. Dit gebeurt tijdens de menstruatie. De daling van de progesteronproductie is aanleiding tot een hernieuwde afgifte van de hormonen in de hypofyse, die de gehele cyclus weer opnieuw laat beginnen.

Bij de man stimuleert het LH de produktie van testosteron in de testikels of zaadballen, welk hormoon noodzakelijk is voor de rijping van de zaadcel. Ook het FSH, afkomstig uit de hypofyse, is betrokken bij de rijping van de zaadcellen in de testikels. In tegenstelling tot bij de vrouw, bij wie alle primordiale follikels, waaruit de eicellen zich ontwikkelen, reeds bij de geboorte aanwezig zijn, is er bij de man tijdens en na de puberteit sprake van een continue nieuwvorming van zaadcellen. De rijping van een zaadcel duurt ongeveer 75 dagen. De rijpe zaadcellen worden opgeslagen in de epididymis (de bijbal) en in het begin van de ductus deferens (de zaadleider). Tijdens de ejaculatie worden de zaadcellen samen met vloeistoffen uit de prostaat en uit de zaadblaasjes via de urethra (de plasbuis) naar buiten gebracht.

Vindt ejaculatie tijdens de coïtus (geslachtsgemeenschap) plaats, dan wordt het ejaculaat gedeponeerd in het achterste schedegewelf. Vervolgens zullen via het cervixslijm de beweeglijke zaadcellen de baarmoeder binnengaan en via de eileiders bij de eicel komen, waarna deze bevrucht kan worden.

home copyright disclaimer privacy